The Others

SYNOPSIS


Met Pasen in 1506 gaan de inwoners van Lissabon vol vertwijfeling naar de kerk van São Domingos. De pest zaait al een halfjaar verderf. Koning Emanuel heeft zijn onderdanen in de steek gelaten. Het platteland rondom Lissabon beleeft een eindeloze periode van droogte en de bevolking is verzwakt door honger.   

Op deze paaszondag krijgt een kerkbezoekster een visioen: ze ziet het stralende gezicht van Jezus boven het altaar. Een golf van gefluister gaat door de menigte. Hun gebeden om verlossing zijn verhoord! Dan verheft zich een stem die twijfel zaait: misschien is het niet het gezicht van de Verlosser, maar een schijnsel dat van de kaarsen weerkaatst.

De gelovigen willen geen wetenschap, ze willen een mirakel. Bovendien is de twijfelzaaier een nieuwe christen, één van de duizenden voormalige joden en moslims die zich tot het katholicisme hebben bekeerd, nadat de heersers van Spanje in 1492 en die van Portugal in 1497 edicten hadden uitgevaardigd waarbij het belijden van een andere godsdienst dan het katholicisme met de dood wordt bestraft.

Volgens ooggetuigen is het een groep vrouwen die hem naar buiten sleurt en vierendeelt. Zeelieden uit Nederland helpen hen. Wanneer de broer van het slachtoffer vraagt wat er aan de hand is, onthoofden ze hem. Op een vreugdevuur worden de lijken verbrand. Opgestookt door Dominicaners worden nieuwe christenen op straat afgeslacht. Een dierlijke schreeuw stijgt op naar de hemel alsof de hellehonden zijn losgelaten. Het duurt twee dagen vóór de koning de orde herstelt. Achtduizend nieuwe christenen zijn vermoord!

In 1556 bracht angst voor de ander de bangelijke joden van Amsterdam (velen uit Portugal gevlucht) tot hun eigen uiting van onverdraagzaamheid: ze verbannen de jonge vrijdenker Baruch Spinoza.

Hoofdpersonen
Durk: een Friese matroos, 18 jaar, rossig - bleke huid, vol met sproeten ontstaan door de Zuid-Europese zee. Hij is net uit de cocon van de jeugd gebroken, enthousiast, levenslustig en onbesuisd - een slachtoffer dat nog niet precies weet hoe hij zich tegenover de wereld moet opstellen.

Cesaria: geboren aan de Noord-Afrikaanse kust. Halverwege de twintig, maar gedwongen het grootste deel van haar leven oud te zijn en zich te handhaven dankzij haar gaven en de wijsheid die er bij haar is ingeranseld. Haar huid en haar haar zijn een orgie van kleuren en geuren van de Afrikaanse kust.

Espinoza: een nieuwe christen, een voormalig Spaanse jood. Midden dertig. Koopman, maar meer filosoof dan practicus. Hij zou de grootvader van Spinoza kunnen zijn. Hij betreurt de scheidslijnen tussen religies, nationaliteiten en huidskleuren. Niemand is uitverkoren, niemand heeft gelijk, niemand is menselijker dan een ander.